Eigenlijk was ik op zoek naar een lentegedicht. Maar lente betekent voor mij ook de wens om naar buiten te gaan, buiten te zijn, op een terrasje te vertoeven tot de vroege avond, want anders heb ik het alweer te koud… maar toch, buiten zitten en naar passanten kijken, het liefst in een grote stad, in een andere wereld, het leven voelen bruisen, de hartslag van een stad… daar voel ik nu al een verlangen naar, naar de fascinatie van sommige steden…
En opeens stond het boekje zomaar voor me. Dat heb je als je in een bibliotheek werkt. En het was precies wat ik zocht. En ik wist het op het moment dat ik de titel las ‚Wie er maar even was, was al gelukkig‘.
Mijn keuze viel op Remco Campert
Steden bij avond
Ik droomde in de steden bij avond
in Parijs liep ik lang over boulevards
zocht francs op het asfalt
de bistro’s wenkten
met zwarte koffie en hardgekookte eieren
ik kon er op basketbalschoenen
de morgen afwachten
schrijvend luisterend en drinkend
de eerste vegen van rose de eerste arbeiders
op vroege fietsen de eerste metro
met gele mensengezichten en nog vochtig nekhaar
de eerste krant en het eerste licht
ik droomde ik kon spreken in Parijs
en bij Dupont nam men een film op
een sprekende film dat gaat zonder zeggen
een film met Gréco en een man die ik niet zag
de steden bij avond
zijn van de mensen de minnaressen
de steden bij avond
strelen met hun tere lichtenden handen
de schouders en de haren van de mensen
ik heb het gezien ik heb het gevoeld
ik heb naar de steden geluisterd
als zij zich neerlegden bij avond
langs hun rivieren en bomen
ik heb met de mensen gesproken
in de cafés en cinema’s van hun steden
bij avond en avondlicht
ik heb hun Turkse tabak gerookt
en die uit Amerika en Algerije
ik heb met hen gedronken en gelachen
gekust en geweend
in hun steden bij avond
als zij moe waren en vol moed of moedeloos
ik droomde ik was enkel tong
enkel tanden enkel lippen
ik droomde ik was enkel woorden
en troostende gebaren
ik liep door de steden bij avond
vond de wereld bij elke voetstap
vond geluk in gezichten van mensen
vond verdriet in de adem van hun woorden
ik droomde te over ik droomde
om zes uur in de morgen
mijn hoofd op een tafel
mijn armen om mijn hoofd
mijn vrienden om mij heen
ik droomde met de mensen
ik droomde met de wereld
ik droomde in de steden bij avond.
(bron: Wie er maar even was, was al gelukkig. Frankrijk in 100 gedichten, verz. door Mario Molegraaf, Balans, 2004)










