Poëzie op woensdag, dl.10

Eigenlijk was ik op zoek naar een lentegedicht. Maar lente betekent voor mij ook de wens om naar buiten te gaan, buiten te zijn, op een terrasje te vertoeven tot de vroege avond, want anders heb ik het alweer te koud… maar toch, buiten zitten en naar passanten kijken, het liefst in een grote stad, in een andere wereld, het leven voelen bruisen, de hartslag van een stad… daar voel ik nu al een verlangen naar, naar de fascinatie van sommige steden…

En opeens stond het boekje zomaar voor me. Dat heb je als je in een bibliotheek werkt. En het was precies wat ik zocht. En ik wist het op het moment dat ik de titel las ‚Wie er maar even was, was al gelukkig‘.

Mijn keuze viel op Remco Campert

Steden bij avond

Ik droomde in de steden bij avond
in Parijs liep ik lang over boulevards
zocht francs op het asfalt
de bistro’s wenkten
met zwarte koffie en hardgekookte eieren
ik kon er op basketbalschoenen
de morgen afwachten
schrijvend luisterend en drinkend
de eerste vegen van rose de eerste arbeiders
op vroege fietsen de eerste metro
met gele mensengezichten en nog vochtig nekhaar
de eerste krant en het eerste licht
ik droomde ik kon spreken in Parijs
en bij Dupont nam men een film op
een sprekende film dat gaat zonder zeggen
een film met Gréco en een man die ik niet zag
de steden bij avond
zijn van de mensen de minnaressen
de steden bij avond
strelen met hun tere lichtenden handen
de schouders en de haren van de mensen
ik heb het gezien ik heb het gevoeld
ik heb naar de steden geluisterd
als zij zich neerlegden bij avond
langs hun rivieren en bomen
ik heb met de mensen gesproken
in de cafés en cinema’s van hun steden
bij avond en avondlicht
ik heb hun Turkse tabak gerookt
en die uit Amerika en Algerije
ik heb met hen gedronken en gelachen
gekust en geweend
in hun steden bij avond
als zij moe waren en vol moed of moedeloos
ik droomde ik was enkel tong
enkel tanden enkel lippen
ik droomde ik was enkel woorden
en troostende gebaren
ik liep door de steden bij avond
vond de wereld bij elke voetstap
vond geluk in gezichten van mensen
vond verdriet in de adem van hun woorden
ik droomde te over ik droomde
om zes uur in de morgen
mijn hoofd op een tafel
mijn armen om mijn hoofd
mijn vrienden om mij heen
ik droomde met de mensen
ik droomde met de wereld
ik droomde in de steden bij avond.

(bron: Wie er maar even was, was al gelukkig. Frankrijk in 100 gedichten, verz. door Mario Molegraaf, Balans, 2004)

Poëzie op woensdag, dl.9

Van al wat Leeft zijn Vogels
het meest gelijk aan Dons
Dat door – de Hemelruimte zweeft
Bij Aangename Bries –

Het zwiert – en scheert – en wervelt –
Als ‚t zich aan Wolken meet
Luchtig – en zelfs – verbijsterend vlug –
Zoals je Vogels ziet –

Terwijl een Kielzog van Muziek
Hun voortgang begeleidt –
Alsof het Dons een Melodie –
Van Jubel – horen laat.

( Emily Dickinson, Verzamelde gedichten, Uitgerverij Van Oorschot 2011)

Ronald gaf een feestje

… en iedereen kwam.
Het was dan ook niet zomaar een feestje afgelopen zondag, het was ook geen wedstrijd, het was een happening, niet geheel toevallig over de bekende afstand van 42.195 km, omdat Ronald zijn 42 lentes en 195 dagen zo en niet anders wilde vieren met vrienden, kennissen en familie. Een enorme eer om bij dit uniek evenement aanwezig te mogen zijn.
Continue reading

Poëzie op woensdag, dl.8

DE BIJNA BLINDE

Ze leek net als de anderen te zijn,
zoals ze thee dronk. Toen eerst zag ik dat
zij ‚t kopje ietwat vreemd had aangevat.
Ze glimlachte één keer. Het deed haast pijn.

En toen ‚t gezelschap eindelijk opbrak en
(pratend en lachend) zonder ordening
en zonder haast door vele kamers ging,
zag ik haar weer. Zij liep de anderen

gehinderd na, alsof ze zo meteen
en voor een groot gezelschap moest gaan zingen;
en op haar klare, blijde ogen scheen
van buiten licht, vijvers die licht opvingen.

Ze volgde langzaam en het duurde lang,
alsof iets haar terughield in het leven;
en toch: alsof ze, na een overgang,
niet meer zou lopen, maar de lucht in zweven.

(Het gedicht van vandaag is van Rainer Maria Rilke. Bron: Wie nu geen huis heeft, Uitgeverij Bert Bakker 1986)

Poëzie op woensdag, dl.7

Moe van iedereen die met woorden komt, met woorden maar niet met taal
ging ik naar het sneeuwbedekte eiland.
Het ongerepte heeft geen woorden.
De ongeschreven bladzijden breiden zich naar alle kanten uit!
In de sneeuw stuit ik op hoefsporen van een ree.
Taal maar geen woorden.

(bron: Tomas Tranströmer, De herinneringen zien mij, Bezige Bij 2011)

Cojones

Mijn betere helft leest alles wat ik op mijn blog zet als eerste. En altijd zegt hij ‚mooi‘. Dat is voor mij goed genoeg om op ‚publiceren‘ te klikken.

Kort geleden zei hij nog iets anders, ‚je bent een vrouw met cojones‘. Cojones is een mooi woord, het is Spaans en betekent ‚ballen‘. Wie mijn blog een beetje volgt zal geen moeite hebben om het stukje terug te vinden dat aan de beste eega van allen dit zeldzame compliment kon ontlokken.

Ik kreeg er een tik op mijn vingers voor, oké een tikje maar, maar niettemin een tik. Het verbaasde me niet werkelijk en eigenlijk toch wel. Wat me evenzeer verbaast is het aantal stiekeme meelezers die liever anoniem blijven, die wellicht zelf ook niet zo veel vinden en hebben aan social media, behalve dan veel argwaan, die in ieder geval zo schijnt veel tijd vrij kunnen maken om bij anderen regelmatig steekproeven uit te voeren en er melding van te maken. Het geeft me trouwens een goed gevoel dat mijn schrijfselen op mijn persoonlijke blog belangrijk genoeg worden geacht om er af en toe eens beter naar te kijken. Te veel eer.

Het makkelijkste zou nu wezen om er het zwijgen toe de doen, om het er alleen nog over ontzettend leuke of ontroerende dingen te hebben of er maar een fotoblogje van te maken. Niets tegen mooie foto’s, ik houd ervan en deel ze regelmatig. En ik kan niet ontkennen dat ik er even over na heb gedacht. Helaas of gelukkig ben ik ondertussen te oud voor opvoedingsmaatregelen en niet meer zo gevoelig voor tikjes. Nee, ik ga niet in een hoekje staan, ik ga me niet excuseren, en ik ga ook niet 100 keer in mijn schrift zetten ‚ik zal me niet meer bemoeien met…‘ Sorry. Ik zal ook in toekomst blijven denken en zeggen wat ik vind… open en eerlijk en niet anoniem.

Dus dat is het goede nieuws voor mijn ’schaduwlezers‘. Het slechte nieuws is, de aandacht en belangstelling voor dit soort boodschappers is maar van korte duur. Zij oogsten nooit respect of waardering en worden zelfs door hen die de informaties mondjesmaat geserveerd krijgen, zielig en walgelijk gevonden. Arme zielen. Wat een lot. En geen ruggengraat ook.

Wat is het dan toch heerlijk om van je partner te horen ‚je bent een vrouw met cojones‘ en ’s ochtends in de spiegel te kunnen kijken en jezelf nog te herkennen, zonder schaamte en oprecht. En daar gaat het om.

Zoals altijd ga ik nu mijn beschouwingen, die zoals altijd heel algemeen zijn, voorleggen aan mijn criticus en recensent. kijken wat ‚ie zegt.

P.S. Goedgekeurd!!