Qday12

Af en toe zeg ik tegen een collega op mijn werk:’Eigenlijk ben ik erg ongezellig.‘ Het antwoord is dan meestal een milde glimlach die vrij vertaald betekent ‚ach, dat valt volgens mij best mee.‘
Mensen die mij beter kennen weten wel beter. Vandaag was het Qday oftewel Queens day oftewel Koninginnendag. Zo’n dag vind ik ontzettend leuk vooropgezet ik er niet bij hoef te zijn. Mijn dag was een hele rustige, stille, warme, luie dag. Beginnend met een rondje hardlopen direct na het wakker worden, wat vandaag ongeveer samenviel met het middaguur. Haast niemand te bekennen op de paden en wegen behalve overstekende eendjes die ik mijn excuses aanbod voor het verstoren van hun rust. En opeens een haas, een prachtige haas zoals ik ze uit oude kinderboeken kende. Het was warmer dan ik had verwacht, mijn flesje water was snel op, het was echt een beetje afzien en doorbijten vandaag omdat ik hardlopend niet zo goed tegen warmte kan, anders trouwens ook niet, maar het was zo veel beter en aangenamer dan… ach laat maar.
Terug thuis een heerlijke cappuccino, een verfrissende douche en vervolgens met de katten in de tuin. Het eerste oranje bloemetje was er just in time bij. Ik houd van mijn koninginnendagen.

Poëzie op woensdag, dl. 17

Het Licht stroomt binnen

Buiten het raam de lange dieren van de lente
de doorzichtige draak van zonneschijn
glijdt voorbij als een eindeloos lange
boemeltrein – wij krijgen zijn kop niet te zien.

De strandhuizen verplaatsen zich zijdelings
ze zijn trots als krabben.
De zon doet de standbeelden knipperen.

De razende vuurzee daarbuiten in de ruimte
wordt veraardst tot een streling.
Het aftellen is begonnen.

(Tomas Tranströmer, De herinneringen zien mij, De Bezige Bij, 2011)

Louise en haar tuin

Een sering in bloei

verliefde vlinders

tulpenballerina’s

en een hangmat voor tuinelfjes

Louise zag dat het goed was

De pioenrozen en de vijgenboom moeten we goed in de gaten houden. Daar gaat de komende dagen veel aan gebeuren…

Poëzie op woensdag, dl. 16

Vandaag weer eens twee gedichten, omdat ze van Toon Tellegen zijn…

Twee mensen

Ze hadden elkaar beloofd geen heimwee te hebben,
geen spijt,
niets te missen en elkaar nooit ongelukkig te maken,
nooit
en dus lieten ze zichzelf niet kennen,
beten elke dag op hun pennen
en schreven elkaar hoe gelukkig ze waren,
al was het alleen al door de brieven van elkaar,
schreven ze,
waarin ze lazen hoe gelukkig ze waren.
Zo dwarrelen bladeren
soms hartstochtelijk
naar de grond.

Aan het einde van de dag

Aan het einde van de dag,
als iemand aan komt hollen met de liefde,
als je moe bent en onhandig en toevallig net verward in een warnet
van angsten –
wat moet je doen,
wat moet je met de liefde doen, donzig, schrikachtig,
die iemand je nog brengt?

(uit: Toon Tellegen, Alleen liefde, Een keuze, Querido 2002)

Mijmeringen 3

Soms kun je, eenmaal begonnen met mijmeren, moeilijk weer stoppen. Soms lukt het, als de mijmeringen beginnen, jezelf af te leiden, ergens rustig te gaan zitten en te wachten totdat de aanval weer voorbij is. Het is een kwestie van oefenen en ondertussen lukt me dat steeds vaker.

Vandaag kwamen echter via mijn twitter timeline nogal wat prikkels binnen die ik niet wou laten bezinken totdat ze er niet meer zijn of totdat ik ze alleen nog vaag kon herinneren. De prikkels kwamen uit drie bronnen gelijktijdig net als sneltreinen op me af. Daar was ten eerste Joost Heessels die op zijn unieke manier commentaren leverde op alles wat vandaag gebeurde op Bibliotheekplaza in Theater De Meervaart in Amsterdam. Ten tweede de twitterende collega’s uit de bibliotheekwereld en ten derde John Cleese! Ja, en ik hoor u denken ‚John Cleese‘, was dat niet die van…? Ja hallo, kan die dan ook maar voor één moment serieus wezen? En wat heeft hij nu met bibliotheken te maken en sterker nog, met de toekomst van bibliotheken, de bibliotheek van morgen…?

Toen de tweet in kwestie via Maria Popova binnenkwam, dacht ik in eerste instantie precies hetzelfde. How creativity works. Daar had hij het kennelijk over en nee, dat breng je niet werkelijk zomaar in verband met het doen en denken en overleggen binnen de bibliotheekwereld (wie hier een soort van cynisme denkt te ontdekken mag dat wat mij betreft gerust doen).

Maar eerst terug naar nummer 1 en nummer 2. Tot mijn verbazing en groot genoegen las ik naast tweets van ‚tot zover niets nieuws‘ en over ‚verdwaalde sprekers‘ ook stemmen als ‚laten we naar ons publiek luisteren‘, ‚persoonlijk contact centraal stellen‘, ‚passie wordt van mens tot mens overgedragen‘, er kwam zelfs iets over de ‚maatschappelijke functie‘ van een bibliotheek langs en, helemaal revolutionair natuurlijk, ‚Oud gedrag in een nieuwe situatie helpt niet‘. BAM! En ik spon de draad van de laatste tweet voor mezelf nog verder… Oud gedrag in een nieuw jasje helpt ook niet verder en wordt in no time ontmaskerd als ’niets dan gebakken lucht‘, als ‚blablabla‘.

Alles heeft te maken met communicatie, niet naar de klant maar MET de klant. En een goede communicatie in veranderende omstandigheden heeft alles te maken met creativiteit. En over creativiteit heeft John Cleese het dus in zijn bijdrage van 36 minuten en 10 seconden, voor wie voor de lange versie gaat. U gaat er geen spijt van krijgen!

Ruimte, tijd, vertrouwen, humor… dat zijn volgens Cleese de grondpijlers voor een klimaat waarin creativiteit kan kiemen, zich kan ontwikkelen, geoefend kan worden. Ik heb 2 keer naar het verhaal van Cleese zitten kijken en luisteren, En tijdens het luisteren zag ik steeds meer het verband en de schakel met de bibliotheek, en het werd me ook steeds duidelijker waar de belemmeringen of valkuilen zijn voor een gezond en succesvol creatief proces. Hier een verkorte lijst van de mijns inziens belangrijkste punten:

  • er zijn teveel dagelijkse dingen die prioriteit hebben en die eerst afgewerkt moeten worden
  • het is makkelijker om met kleine dingen bezig te zijn waarvan we weten dat we ze wel kunnen dan met grotere dingen waar we niet helemaal zeker van zijn
  • we hebben en nemen de tijd niet omdat we gestresst en onder spanning staan, permanent bang om iets te zeggen wat onnozel en onlogisch klinkt
  • we zijn als de dood om iets fout te doen, en dat is de ergste vijand van creativiteit
  • een fase van creativiteit is ook een fase van onzekerheid, van nog op zoek zijn naar een oplossing, een fase waarin de meesten zich ongemakklijk voelen. Om daaruit te ontsnappen wordt vaak voor oplossingen gekozen die onder handbereik liggen, zonder er 100 procent achter te staan
  • we zijn het spelen verleerd, alleen binnen een ruimte waar alles aan ideeën kan en mag en waar geen fouten bestaan, kan creativiteit tot leven en groei komen
  • en dan nog, last but not least, de humor. Gevoel voor humor, begrip voor humor, gepastheid van humor. Wat eigenlijk tot de normaalste dingen van de wereld hoort en volgens mij ook aan een basisbehoefte van de mens voldoet, humor, is ver te zoeken in tijden van crisis, in tijden van recessie en bezuinigingen, waar het tot de orde van de dag hoort dat je leest of hoort dat we blij moeten zijn om nog werk te hebben terwijl andere bibliotheken hun deuren moeten sluiten…

Dit is maar een klein overzicht van wat ik vanmiddag van John Cleese heb gehoord, ook niet allemaal voor het eerst uiteraard, maar soms is het goed om aan dingen herinnerd te worden, isn’t it.

Poëzie op woensdag, dl. 15

12 juli 1980

Heb geduld, mijn vermoeide vrouw,
Heb geduld met de dingen van de wereld,
Met jouw reisgenoten, mijzelf inbegrepen,
Nu ik jou eenmaal ten deel ben gevallen.
Aanvaard, na zoveel jaren, een paar scheurbuikige verzen
Bij de vervulling van je kroonjaar.
Heb geduld, mijn ongeduldige vrouw,
Jij vermorzelde, gegeselde, ontvelde,
Jij die jezelf elke dag een schram bezorgt
Opdat je naakte vlees nog pijnlijker zal zijn.
De tijd is er niet meer naar om op onszelf te leven.
Aanvaard, alsjeblieft, deze 14 verzen,
Mijn lompe manier van zeggen dat jij me dierbaar bent,
En dat ik zonder jou niet op de wereld zou blijven.

(uit: Primo Levi, Op een onzeker uur, Gedichten, Meulenhoff 1988)

Poëzie op woensdag, dl. 14

Dood van een computer

Acht jaar verhalen, boeken en recensies –
het dagelijks karwei. Eens zal -ie crashen,
verzekerde men mij en dus, onzeker
computeramateur, kocht ik een nieuwe,
zette de oude in een zijkamer, alwaar
toen ik ‚m aanzette, hij oude schijfjes nam
en er geprinte eindversies van maakte,
zwarte tekentjes op papier zijn zekerder
dan elektronen. ‚t Mechanisme scheen
niet te gebelgd over z’n prepensioen.

Vandaag begaf-ie het. Denk ik. Eerste
signaal, een spookvierkantje schoof zichzelf
over de tekst, als ‚ongepast‘ gedrag
dat even de bijeenkomst overschaduwt
al kun je het negeren. Volgend teken,
nu zwarte strepen, met heel kleine stukjes
versplinterde icoontjes: hij deed als
een oude advocaat die in seniele aanval
opspringt, zich tot de jury richt
met van die stijlbloemetjes en volkse flair.

Daarna begon het puntig pijltje als
een schildersborstel pixels weg te slepen.
De monitor geloofde elk moment
zelf nog dat het ergens op sloeg
terwijl strepen, lijntjes en plotse kronkels
van mijn getikt bericht rap puinhoop maakte.
Verward door zulk helder, hoopvol geknoei
sloot ik het apparaat genadig af.
Moge ook mij een sterke, milde hand
als mijn systeem gaat falen vrede brengen.

(bron: John Updike, Eindpunt en andere gedichten (tweetalige editie), De Arbeiderspers, 2010)